Uitleg verschillende referentieniveaus
Het niveau dat leerlingen aan het einde van de basisschool minimaal moeten beheersen heet 1F. De letter F staat voor fundament. Het niveau 1F staat ongeveer gelijk aan het niveau dat een leerling moet beheersen eind groep 6. Het is belangrijk om te weten dat er vanaf groep 3 al wordt begonnen met het werken aan de doelen om uiteindelijk het 1F-niveau te behalen. Deze doelen zijn voorbereidend voor 1F, stap voor stap wordt met alle leerlingen gewerkt aan het behalen van de 1F-doelen. In de praktijk behalen bijna alle leerlingen het 1F-niveau voor het verlaten van de basisschool. Daarom wordt er in het basisonderwijs ook gewerkt aan andere referentieniveaus. Voor taal is dat niveau 2F en voor rekenen is dat niveau 1S. Dit worden ook wel streefdoelen genoemd, omdat het een niveau is dat voor alle leerlingen nagestreefd zou moeten worden, maar wat in de praktijk niet door iedere leerling behaald wordt aan het einde van het basisonderwijs.
Bij niveau 1S wordt een leerling voorbereid op het wiskundig denken in het voorgezet onderwijs. De getallen waarmee wordt gerekend op 1S-niveau zijn complexer en de rekenopgaven zijn pas op te lossen wanneer er meerdere rekenstappen worden doorlopen. Voor taal geldt dat de teksten op 2F-niveau complexer zijn dan op 1F-niveau. Uiteraard is het ook mogelijk dat een leerling op de basisschool al werkt op een hoger niveau, bijvoorbeeld op niveau 3F.
Ook bij Bureau ICE ontwikkelen wij toetsen die gebaseerd zijn op het referentiekader taal en rekenen. Bijv. bij de toetsen voor leerjaar 6, 7 en 8 in het IEP Leerlingvolgsysteem. De uitslag wordt hier uitgedrukt in een percentage en ontwikkelscore die de leerling behaald heeft op een bepaald referentieniveau.
Naast ons toetsaanbod bieden wij ook verschillende trainingen aan om aan de slag te gaan met het referentiekader.