Iris Driessen: ‘Je laat het lesgeven los, maar neemt je expertise mee’
Iris Driessen startte in februari als teamleider op het Gerrit van der Veen College in Amsterdam. Daarvoor werkte ze veertien jaar als docent Nederlands, mentor en ondersteuningscoördinator op het Hyperion Lyceum. Een nieuwe functie op een andere school dus, met onder meer toetsbeleid in haar portefeuille. Ze vertelt hoe ze het teamleiderschap ervaart, hoe ze vanuit haar nieuwe rol vorm geeft aan het toetsbeleid, en hoe ze daarbij inzet op formatief handelen.
Over de aanleiding voor haar overstap is Iris duidelijk: “Ik wilde weer nieuwe dingen leren. In de veertien jaar op het Hyperion heb ik alles gedaan wat er nodig was voor de school, maar op een gegeven moment was het klaar. Een functie als teamleider had ik nog niet op mijn cv en daarom heb ik op het Hyperion gesolliciteerd als teamleider. Dat werd hem niet, maar ik merkte dat mijn ambitie om dit te gaan doen wel was aangewakkerd. Toen werd ik gevraagd om hier te solliciteren, en was er eigenlijk meteen een goede match.”
Hoe bevalt het teamleiderschap?
“Goed. Ik wilde weer leren en dat doe ik hier volop; vooral hoe een school als organisatie werkt. Welke vakken we geven (het Gerrit van de Veen is een Cultuurprofielschool met vijf kunstvakken waar de leerling examen in kan doen) en hoe die didactisch en inhoudelijk in elkaar zitten. Of de aanstellingen van collega’s goed in elkaar zitten. Op metaniveau nadenken: doen we het juiste voor de kinderen? En er valt me als nieuwkomer ook veel op, dat is heel interessant.”
Wat valt je op?
“Dat heel veel dingen op deze school strak en goed in elkaar zitten. De school bestaat al lang en dat merk je. Het lijkt misschien logisch om alles in Magister te noteren en om goed te documenteren, maar dat gebeurt niet altijd en overal, heb ik op andere scholen ervaren. Dat soort dingen geeft rust, omdat je alle informatie over een leerling op één plek hebt en omdat je zo de leerling in beeld hebt.”
“Aan de andere kant valt me op dat, juist doordat alles zo goed gekaderd en gestructureerd is, veel top-down is georganiseerd. Teamleden kijken naar ons als schoolleiding, terwijl ik op mijn vorige school gewend was dat teams meer zelf oppakten. Tegelijkertijd zie ik dat dit kansen biedt om samen met mijn collega’s aan een nog mooier Gerrit van der Veen te bouwen, door mensen aan te spreken op hun autonomie en professionaliteit. En dat willen de collega’s over het algemeen ook.”
Kun je een voorbeeld geven? Hoe je de autonomie van collega’s stimuleert?
“Toen ik hier startte, viel me op dat er één uur per week mentorles is. Toch hoorde ik best vaak: ‘Ik weet eigenlijk niet zo goed wat ik in dat uur moet doen.’ Hoe kan dat, dacht ik dan, met maar één uur per week? Met kinderen die nog niet weten hoe ze moeten leren, of bepaalde kinderen die veel stress hebben en die je mentaal weerbaarder wil maken of wil ondersteunen. Volgens mij heb je die tijd juist dubbel zo hard nodig.”
“Daarom heb ik ingezet op een sterk mentoraat, met vier pijlers. Executieve vaardigheden, mentale gezondheid, groepsdynamiek en de ‘waan van de dag’. Ik heb uitgelegd en beargumenteerd waar ik naartoe wil werken en waarom. Op een gegeven moment heb ik die vier pijlers op het bord geschreven en de vraag gesteld: wie gaat zich bezighouden met welk onderdeel? En dat hebben ze gedaan; collega’s ontwikkelen in groepjes een van die vier pijlers door. Dat doen ze zelf, ik hoef niet veel te sturen.”
“Nu zie ik dat mensen in de groepsapp erover in gesprek gaan. Wie kan ik hier iets over vragen? Ze ontwikkelen dus zelf de expertise die ze nodig hebben. En over een paar weken ga ik vragen welke kennis we hebben opgehaald en hoe we die kunnen inzetten in een doorlopende leerlijn voor het mentoraat.”
“We willen allemaal af van de vraag ‘is het voor een cijfer?’ Tegelijkertijd zeggen we: als we geen cijfers geven, leren ze niet. Dat bijt elkaar.“
Iris Driessen, Gerrit van der Veen College
Enkele jaren geleden spraken we jouw rector, Manon van der Garde, over het toetsbeleid op jullie school. De ambitie was toen: meer aandacht voor formatief handelen en weg van de cijfercultuur. Dat onderwerp ligt nu ook op jouw bord. Hoe staat het er inmiddels voor?
“In interviews met andere schoolleiders op jullie website lees ik dat we eigenlijk allemaal met dezelfde dingen worstelen. Toetsdruk, de vraag waarom we toetsen, wat we willen meten en weten. Persoonlijk vind ik toetsbeleid heel veel zeggen over hoe je als school naar kinderen kijkt. En het zegt ook veel over het team en je schoolcultuur, in hoeverre je grip of controle wil houden of in welke mate je juist de autonomie over het leerproces bij de leerling legt.”
“We willen allemaal af van de vraag ‘Is het voor een cijfer?’ Tegelijkertijd zeggen we: als we geen cijfers geven, leren ze niet. Dat bijt elkaar. We zijn ontzettend geconditioneerd om dingen meetbaar te maken. Dat zit in ons hele systeem. Dus ik denk dat de zoektocht vooral gaat over de manier waarop we naar kinderen kijken, en hoe we naar onszelf als professionals kijken. Waarom toetsen we? Waarom doen we wat we doen? Wat is het leerrendement? Wat willen we weten en meten? En moet dat altijd met een toets en een cijfer? Hoe kan het anders?”
Welke concrete keuzes maken jullie vanuit die visie op toetsing?
“We hebben het aantal toetsen verminderd en meer gespreid over het jaar. We hebben geen toetsweken meer in het eerste jaar. En in het tweede jaar hebben we één toetsweek, halverwege het jaar.”
“In het toetsbeleid staat ook dat de weging van de toetsen evenredig moet zijn. De laatste toets in een jaar zou niet voor verrassingen moeten zorgen, maar dat gebeurt helaas nog wel. Bij sommige vakken kun je bijvoorbeeld vinden dat leerlingen nog éven hun best moeten doen terwijl ze al met hun hoofd op Mallorca zitten. Dan geven we een opdracht die vier keer meetelt, die vrij makkelijk na te kijken is en een docent weinig voorbereidingstijd kost. Dat vind ik niet eerlijk tegenover leerlingen, omdat ik me afvraag: wat zegt die toets nou over de leerling?”
“Formatief handelen betekent voor mij dat je voortdurend kijkt waar een leerling staat. Wat weet iemand al? Wat moet hij of zij nog doen? En dan de lastigste stap: wat doe ik als docent met de informatie die ik krijg? Welke interventie zet ik in om te zorgen dat deze leerling tot leren komt? Het is dus niet alleen een keer een wisbordje omhoog houden om te kijken wie het antwoord op een vraag weet. Het is een continu proces van leerlingen in beeld houden, informatie ophalen en aanpassen. En als je dat goed uitvoert, zou een toets voor leerlingen een yes-moment moeten zijn. Zo van: kom maar op!”
“Ik wil dat formatief handelen echt een mindset en een routine wordt, niet iets wat je af en toe doet.“
Iris Driessen, Gerrit van der Veen College
Hoe ver zijn jullie met formatief handelen?
“Op dit moment is de derde lichting collega’s ermee gestart. De eerste lichting is destijds getraind door een externe trainer. Die collega’s hebben vervolgens zelf de expertrol overgenomen en zijn de volgende lichting gaan trainen.”
“In ons schoolplan staat dat alle docenten bekwaam moeten zijn op het gebied van formatief handelen; inmiddels zitten we op tachtig procent. Als teamleider vraag ik er ook naar in observaties en in start- en ontwikkelgesprekken. Ik wil dat het echt een mindset en een routine wordt, niet iets wat je af en toe doet.”
Hoe reageren docenten op de nieuwe manier van werken?
“Er was wel wat weerstand, vooral bij de moderne vreemde talen. Het blijft een hardnekkig idee dat verschillende vaardigheden allemaal ‘los’ getoetst moeten worden. Maar uit de literatuur blijkt dat je vaardigheden prima kunt combineren en dat je ook niet alles hoeft te toetsen voor een cijfer. Dus dat is nog best wel een punt. Maar goed, we zijn al van twaalf toetsen per jaar naar tien en negen gegaan.”
“Het is ook iets wat bij mijn nieuwe rol hoort, het omgaan met weerstand. Ik doe dat vooral door het gesprek aan te gaan. De argumenten zijn vaak heel begrijpelijk: we doen het al jaren zo, het programma zit goed in elkaar, de examenresultaten zijn goed. Tegelijkertijd willen we altijd professionaliseren en verbeteren, ik vind dat je dat aan jezelf verplicht bent. Dan mag je ook kritisch kijken naar de inhoud van je vak, naar je didactiek en ook naar wat je toetst en hoe je toetst.”
Heb je nog tips voor andere docenten die het schoolleiderschap ambiëren?
“Je moet goed beseffen dat je geen les meer geeft. Het schoolleiderschap is iets wezenlijk anders. Doordat ik zo lang voor de klas heb gestaan, weet ik hoe het is om een lastige klas om vier uur ’s middags te hebben; ik begrijp de collega’s goed. Die expertise neem je mee en zet je in, maar je moet het lesgeven wel loslaten.”
“Zoek ook een school die echt bij je past, doe daar goed onderzoek naar. Ik wilde graag teamleider op het Hyperion worden, maar achteraf ben ik dolblij dat ik het hier ben geworden.”
“En bevraag alles: waarom doen we wat we doen?”
Tot slot: aan wie mogen we het stokje doorgeven?
“Hans Schoonheim. Hij is directeur van Vonk, een ‘groene school’ in Purmerend. Ik ben benieuwd hoe daar wordt getoetst en ik ben benieuwd hoe het met hem gaat.”
Ook werken aan een breed gedragen toetsbeleid?
In een trainingstraject van JIJ! krijg je handvatten voor de uitvoering en implementatie van toetsbeleid toegespitst op jouw schoolsituatie. Daarnaast ontwikkel je met een projectgroep een praktisch en concreet toetsbeleidsplan waar je écht mee aan de slag kunt.
Meer interviews met schoolleiders in het VO
Iris Driessen is de 39e die het stokje in handen kreeg.
Nieuwsgierig naar haar voorgangers? Lees hier alle interviews.
Blijf op de hoogte!
Bericht ontvangen bij een nieuwe aflevering?
Meld je aan voor onze nieuwsbrief of volg ons op LinkedIn en Instagram